if…. (Lindsay Anderson, 1968)

Op 17 maart 1968 liep een demonstratie tegen de Vietnamoorlog in Londen uit op een rel. Negentig mensen raakten gewond, meer dan tweehonderd mensen werden gearresteerd. Het land was geschokt. Dergelijk gewelddadig verzet was men in Engeland niet gewend. Maar de rel viel in het niet bij de gebeurtenissen in datzelfde jaar in bijvoorbeeld Parijs, Chicago of Mexico-Stad. Terwijl Parijs een maand lang in de greep was van een quasi-revolutie, en in Mexico-Stad tijdens een demonstratie meer dan tweehonderd betogers werden doodgeschoten, bleef het in Londen bij die ene rel en wat incidentjes.

Mick Jagger van de Rolling Stones liep die dag mee van Trafalgar naar de Amerikaanse ambassade op Grosvenor Square. Bij thuiskomst schreef hij een tekst waarvan de conclusie luidde: “In sleepy LondonTown there’s just no place for a street fighting man.”

Hetzelfde gevoel lijkt ten grondslag te liggen aan Lindsay Andersons if…., ook uit ’68: hoewel velen zich in Engeland gevangen voelen binnen een onrechtvaardig, zelfs wreed klassensysteem, zullen zij nooit serieus in opstand komen; daarvoor is het leven voor hen die zich conformeren ondanks alles te comfortabel. Jagger: “Where I live the game to play is compromise solution”.

Premier Harold Wilson had Engeland buiten de Vietnamoorlog weten te houden. The Beatles hadden het land wereldwijd in het middelpunt van de belangstelling gebracht. Twee jaar eerder was het nationale voetbalteam wereldkampioen geworden. De oudere generatie had hier, anders dan op het Europese vasteland, een redelijk positief beeld van de babyboomers. En, in deze context misschien het allerbelangrijkst: jongeren uit de arbeidersklasse beschikten voor het eerst in de geschiedenis over geld en vrije tijd. — Tegenover dat alles sta je als jonge, vechtlustige revolutionair machteloos.

Net als “Street Fighting Man” is Lindsay Andersons if…. een impotente geweldsfantasie (vandaar die kleine i?). De jonge held Mick Travis en zijn vrienden nemen wraak op hun kostschoolleraren en andere onderdrukkers (ouders, en vertegenwoordigers van kerk en leger) door machinegeweren op ze leeg te schieten. Maar deze geweldsexplosie, de climax van de film, wordt nadrukkelijk gepresenteerd als fantasie. Anderson laat er geen onduidelijkheid over bestaan: if…. is een sprookje, een droom.

De manier waarop Mick & Co. aan wapens komen, spreekt boekdelen. Voor straf moeten ze een kelder leegruimen. Ook Micks vriendin helpt mee (op een kostschool voor jongens: hoe realistisch is dat?). Een van hen stuit op een geheime deur. Daarachter vinden ze een wapenarsenaal van heb ik jou daar. (Kennelijk ben ik niet de enige die in dromen stuit op geheime deuren waarachter nog geheimere wensen worden vervuld.)

De daaropvolgende schietsscène doet denken aan de Engelse komedie Billy Liar van John Schlesinger, uit 1963. Wanneer Billy’s ouders zeuren dat hij lui en slechtgemanierd is, maait hij ze onverwachts omver met een machinegeweer. Vervolgens loopt hij met gebogen schouders de kamer uit terwijl zijn ouders doorgaan met zeuren. Het was maar een fantasie. De hele film door leeft Billy zich uit in grootse fantasieën terwijl hij gevangen zit in een banale realiteit. Wanneer hem uiteindelijk de mogelijkheid wordt geboden om te ontsnappen uit het provinciale milieu dat hem zo terneerdrukt, saboteert hij de boel halfbewust. Een groots en avontuurlijk leven is aardig om over te fantaseren, maar om daar ook echt naar te streven… Wat een gedoe! Daarbij: zijn ouders zo slecht nog niet. Hij blijft waar hij is.

Mick Travis is even rijk aan fantasie als Billy. In een surrealistische scène worstelt hij in een koffietentje  met het barmeisje — naakt. Hierbij grommen ze als katten; een grappig detail wanneer je bedenkt dat Mick gespeeld wordt door Malcolm McDowell, die veertien jaar later de hoofdrol speelde in Paul Schraders remake van Cat People. In zekere zin is Mick Travis een voorstudie voor zijn rol als Alex in A Clockwork Orange, die andere beroemde Britse film waarin jongeren zich te buiten gaan aan geweld.

Jongens die in een gesloten wereld wreedheden begaan en ondergaan — een bekend gegeven in Britse fictie. Denk aan de romans van Charles Dickens, of borstal-films als Scum (1979) en The Loneliness of the Long Distance Runner (1963; gebaseerd op een novelle van Alan Sillitoe). Of het Romantische sprookje Kes, dat ik eerder op deze blog besprak. Het einde van deze film, die een jaar na if…. werd uitgebracht, suggereert dat er weinig hoop op verandering is. In een systeem dat steunt op impliciete onderdrukking, onderdrukt iedereen elkaar. Er komt geen einde aan.

In een ander stukje vergeleek ik Andersons This Sporting Life met de psychologische drama’s van Ingmar Bergman. if…. is een heel ander soort film: humoristisch, speels, vol opzichtige Verfremdungseffekten (tussentitels, surrealistische details, de afwisseling van kleur en zwartwit). Als This Sporting Life Andersons Bergman is, dan is if…. zijn Godard.

if…. — vaak gezien als de subversieve film bij uitstek — is geen oproep om naar de wapens te grijpen, zoals ik een filmcriticus ooit hoorde beweren. Hoe gewelddadig de film ook is, uiteindelijk getuigt hij van dezelfde gelatenheid als het einde van Billy Liar of Mick Jaggers quasi-revolutionaire songtekst. Het is geen what if-verhaal, maar een if only, gevolgd door een zucht….

3 gedachten over “if…. (Lindsay Anderson, 1968)

  1. Pingback: Sympathy for the Devil (Jean-Luc Godard, 1968) « Projecties

  2. Pingback: Eline Wonders | Film | Concept | Animatie| | Online filmtip: IF.... (Lindsay Anderson, 1968)

  3. Pingback: Eline Wonders | Film | Concept | Animatie| | Sympathy for the Devil

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s