This Sporting Life (Lindsay Anderson, 1963)

Een vrouw ligt met lijkbleek gezicht en gesloten ogen in een ziekenhuisbed. Ze heeft een hersenbloeding gehad en is buiten bewustzijn. Naast haar zit de man die ze enkele dagen eerder tijdens een razende ruzie uit haar huis heeft gezet. ‘Je mag me niet verlaten,’ fluistert hij, met zijn gezicht tegen haar gezicht gedrukt. ‘Je mag niet wreed zijn.’ Dan ziet hij een grote harige spin op de muur, vlak boven haar hoofd. Hij fronst en richt zich op. Zijn linkerhand houdt hij beschermend boven het hoofd van de vrouw. Zijn andere hand reikt naar de spin, maar die laat zich vallen. De man zakt terug op de stoel en kijkt naar de vrouw. Er loopt bloed uit haar mond. Hij loopt naar de deur en roept om de dokter. De dokter bekijkt de vrouw, voelt aan haar pols, luistert of ze nog ademhaalt. ‘Ze is dood,’ zegt hij. De man schudt zijn hoofd. ‘Nee, dat is ze niet.’ Dan ziet hij de spin weer, op de muur achter het bed. Hij staart ernaar, brult ‘nee!’, en haalt uit. Een close-up van zijn vuist tegen de muur. De poten van de uiteengespatte spin steken onder de vuist vandaan.

This Sporting Life is een verrassende film. Op het eerste gezicht is het een typisch gootsteendrama zoals dat eind jaren vijftig, begin jaren zestig in Engeland werd gemaakt. De setting (het industriële noorden), het onderwerp (rugby), en de personages (arbeiders) — hoe ver kan het afstaan van een Bergman-film uit dezelfde periode? Toch is dat waar de film me aan doet denken. En niet zo’n beetje ook. Maar Andersons film is warmbloediger; minder afstandelijk en cerebraal.

Het verhaal is in de kern heel simpel (opkomst en ondergang van een sportman + tragische liefde), maar verschillende thema’s en verhaallijnen lopen geraffineerd door elkaar heen en versterken elkaar. Zoals in alle Kitchen Sink-films uit deze periode spelen klassenverschillen een belangrijke (motiverende) rol, net als het werk dat de personages doen, maar het gewicht ligt hier vooral bij het liefdesverhaal, en bij de uitgesproken fysieke beeldtaal.

Frank Machin (Richard Harris) huurt een kamer bij de weduwe Margaret Hammond (Rachel Roberts). Hij zoekt al enige tijd toenadering tot haar, maar zij houdt hem bruusk op afstand: ‘When I am left alone I am happy. I don’t need you pushing in.’

Tijdens een kroeggevecht maakt hij indruk op een sportscout. In een mum van tijd speelt hij voor het rugbyteam van Wakefield, en is hij de lokale sportheld. Hij geeft zijn baan als mijnwerker op en koopt een dure auto, een bontjas voor zijn hospita, cadeautjes voor haar kinderen.

Hij is een agressieve man, groot (enorm zelfs) en boers, maar hij is goed voor Margarets  kinderen. Langzaamaan lijkt zij te ontdooien.

Dan neemt hij haar mee naar een duur restaurant en gedraagt zich zo onbeschoft dat zij weggaat voordat het eten is opgediend. Niet lang daarna vertelt ze hem dat ze hem niet wil. Hij pocht met zijn rijkdom, zijn roem, zijn lichaam, maar zij vindt hem weerzinwekkend. Er volgt een schreeuwscène, waarna ze hem beveelt weg te gaan.

Hij verhuist naar een pension, waar hij een kamer deelt met twee oude dronkaards. Liggend op bed overdenkt hij zijn leven. Hij ziet zichzelf in de modder vechten om een rugbybal. Na enkele dagen springt hij plotseling op, rijdt naar Margarets huis, en bonkt op de deur. De buurvrouw komt naar buiten en vertelt hem dat Margaret in het ziekenhuis ligt.

Dit is niet je typische gootsteendrama. De stad, de mensen en het taalgebruik doen denken aan Saturday Night and Sunday Morning of The Loneliness of the Long Distance Runner, maar de sfeer is anders. De muziek is fragmentarisch en vervreemdend (niet alleen illustratief), en wijst vooruit naar Persona van Bergman. De mise-en-scène is strak. De montage is suspensevol en expressief — en gewaagd, want zeker in het begin weet je vaak niet wanneer iets chronologisch plaatsvindt.

De muziek, speels en dreigend tegelijk, lijkt vaak los te staan van de beelden. Hierdoor word je gedwongen om op een bepaalde manier naar de op zich onschuldige beelden te kijken — je zoekt: wat is hier eigenlijk gaande? Zo is er een take waarin Margaret kerstcadeautjes neerlegt naast het bed waarin haar kinderen liggen te slapen. De deur staat op een kier. Achter haar, op de gang, verschijnt Frank, als de schim achter het douchegordijn in Psycho. De dreiging die van hem uit lijkt te gaan, is afkomstig van de muziek: hijzelf doet niets. Hij heeft iets anders in gedachten dan een slachtpartij.

De beelden die ik aan het begin van dit stukje beschreef, roepen herinneringen op aan Bergmans Als in een donkere spiegel uit 1961. In die film staat de spin opzichtig symbool voor God; een wrede, zwijgende God. In This Sporting Life treedt de spin op in een moment waarin liefde en egoïsme, dood en agressie samenkomen. Hier is geen sprake van één-op-één-symboliek. Wie weet waar die spin precies voor staat (de onverschillige natuur bijvoorbeeld, of de dode god, of Frank zelf, of misschien gewoon dat wat toevallig op het verkeerde moment aanwezig is). Maar het is ook geen loos, pretentieus beeld: wanneer je het ziet, weet je dat het klopt. Die bonk van een man die een grote, harige, maar ongevaarlijke spin doodbeukt — het is een perfect gekozen beeld.

Met zijn hangende schouders, eeuwige kauwgom en net iets te luide stem doet Richard Harris denken aan Marlon Brando (daar heb je hem weer) in A Streetcar Named Desire en On the Waterfront. Ze hebben hetzelfde soort gezicht. En ja, ook Frank is een ruwe bolster, blanke pit: hij is lomp en grofgebekt, maar uit alles blijkt zijn liefde voor Margaret. Maar, en dit is cruciaal, hij is geen tranentrekker als Terry Malloy in Waterfront, geen wrede klootzak als Stanley Kowalski in Streetcar. Hij maakt mededogen bij je los (bij mij althans) terwijl hij je de stuipen op het lijf jaagt. Behoorlijk indrukwekkend.

Even indrukwekkend is Rachel Roberts. Haar personage gaat gebukt onder een nauwelijks gespecificeerd verdriet. We weten dat haar man is overleden, maar dat lijkt niet het enige te zijn dat haar in een wurggreep houdt. Ze tobt en ze broedt. Ze lijdt. Ze is even eenzaam als Frank, en op haar manier even woedend. Wanneer ze die woede eenmaal de vrije loop laat, levert dit een aantal intens ongemakkelijke minuten op voor de kijker. (Weer dringt een vergelijking met Bergman zich op: Scènes uit een huwelijk uit 1973.) Het lijkt erop dat deze woedeuitbarsting haar hersenbloeding veroorzaakt. Er is dus geen sprake van een gemakzuchtige deus ex machina — misschien wel in het script, maar dankzij het spel van Roberts niet in de uiteindelijke film.

This Sporting Life markeerde een voorlopig einde van het Britse gootsteenrealisme (in de bioscoop althans: op televisie leefde het genre voort in volkse soaps). De film flopte en investeerders zagen geen brood meer in boze noordelijke arbeiders. Londen werd Swinging London, en de Britse film swingde mee. Maar de gootsteencyclus van ’59 – ’63 was stiekem nog net tot een artistiek hoogtepunt gekomen.

2 gedachten over “This Sporting Life (Lindsay Anderson, 1963)

  1. Pingback: if…. (Lindsay Anderson, 1968) « Projecties

  2. Pingback: Eline Wonders | Film | Concept | Animatie| | Online filmtip: IF.... (Lindsay Anderson, 1968)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s