Lenny (Bob Fosse, 1974)

Tegen het einde van Lenny gebruikt regisseur Bob Fosse met groot effect een oude beproefde techniek. Een pijnlijk moment laat hij eindeloos duren, zonder te knippen, en zonder de camera te bewegen of de angle te veranderen. Zeven minuten lang kijken we vanuit een quasi-objectief allemansperspectief neer op Lenny Bruce (fantastisch gespeeld door Dustin Hoffman) die verdoofd door de heroïne over een podium strompelt, onsamenhangend mompelend, onverwachts schreeuwend.

Even pijnlijk, en al even effectief, is een scène in real time waarin zijn vrouw Lenny opbelt. Hij is afgekickt van de heroïne en zorgt voor hun kind, terwijl zij aan de andere kant van het land ten onder gaat aan haar verslaving. Op een avond belt ze hem op. Hij neemt de hoorn van de haak, accepteert de collect call, en groet haar. Ze fluistert: “Lenny? What’s shakin’, man? What do you want?” Er volgt een gesprek dat al gauw te lang duurt. Na een minuut is eigenlijk ieder woord er een te veel, maar Honey murmelt maar door, totally oblivious

Lenny is een biopic vermomd als een documentaire. Het vertelt het verhaal van de komiek Lenny Bruce, van zijn eerste optredens als middelmatig cabaretier tot zijn roemruchte dood in 1966. Tussendoor halen zijn weduwe, zijn manager en zijn moeder in interviews herinneringen aan hem op. En zien we fragmenten van zijn fenomenale act. Lenny Bruce wilde hypocriet Amerika een spiegel voorhouden, en dat deed hij met verve.

De film heeft een objectieve, documentaire stijl. Maar hoe objectief is een camera die neutraal lijkt te registreren zonder, in figuurlijke zin, een positie in te nemen? Wanneer ik bedenk wat de boodschap van de film is — en dit is absoluut een film met een boodschap — moet ik wel concluderen dat deze objectieve stijl een uiterst sluwe strategische keuze van de maker is.

Aan het begin van de film is Lenny een schlemielige stand-up comedian; gaandeweg wordt hij een beroemde maatschappijcriticus, en aan het einde is hij niet minder dan een martelaar van het vrije woord. Wanneer hij voor de zoveelste keer gearresteerd is voor het uitspreken van obsceniteiten op het podium, staat hij murw voor de rechter en zegt: “Can’t I be sentenced now? I can’t afford to be on trial. The police took away my cabaret card. I can’t work anymore. Please sentence me.” In de volgende scène is hij dood door een overdosis. De film laat er geen onduidelijkheid over bestaan: de schuldige is het hypocriete rechtssysteem dat hem de mond wilde snoeren en hem tot het uiterste dreef.

Lenny kwam uit in 1974, het jaar waarin het Watergateschandaal tot een climax kwam. Hollywood produceerde aan de lopende band paranoïde thrillers. Het systeem is in en in rot, luidde de teneur. Maar als een doortastend individu — in navolging van All the President’s Men vaak een journalist — de onderste steen naar boven haalt, dan is verandering mogelijk.

In Lenny wordt de rol van de journalist vervuld door de camera. Hij interviewt weduwe, manager en moeder. Hij toont ons opkomst en ondergang van een volksheld. Een volksheld die op zijn beurt bijdraagt aan de strijd tegen hypocrisie en (morele) corruptie. En daarmee is de cirkel rond.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s