The Wild One (László Benedek, 1953)

The Wild One gaat over een rel à la Project X Haren. Het verhaal is losjes gebaseerd op de Hollister riot, een uit de hand gelopen bijeenkomst van motorrijders in het Californische plaatsje Hollister in 1947. Volgens Hunter Thompson (in zijn boek Hell’s Angels) was de film cruciaal  in de opkomst van motorbendes in het algemeen, en de Amerikaanse Hells Angels in het bijzonder. Het is geen meesterwerk. Het is niet eens echt een goede film. Maar het heeft op die andere twee iconische Marlon Brando-films uit dezelfde periode (A Streetcar Named Desire en On the Waterfront) voor dat het niet opzichtig een meesterwerk wil zijn. Wat het wel wil zijn is niet helemaal duidelijk. En wat het uiteindelijk precies ís ook niet. Dit komt vooral doordat het hoofdpersonage nauwelijks vlees op de botten heeft. Hij is een type, meer niet. Een protonozem. Vooral interessant als voorbode van de tegencultuur.

Brando’s personage Johnny Strabler mag weinig substantie hebben, vruchtbaar was hij wel. In 1953 was de term teenager al enige tijd in gebruik, maar de teenager zoals wij die kennen, met zijn eigen, als rizomen woekerende subculturen, ontstond halverwege de jaren vijftig, met de opkomst van helden als Elvis Presley (“Heartbreak hotel”, 1956) en James Dean (Rebel Without a Cause,  1955). Beiden baseerden hun imago deels op Brando’s rol in The Wild One.

Nog een zinloos feitje, en dan ga ik het hebben over de film zelf. In de eerste aflevering van de documentaireserie The Beatles Anthology wordt een fragment getoond uit The Wild One waarin de motorbende de Beetles voorkomt. Er wordt gesuggereerd — maar niet expliciet gezegd — dat de Beatles hun naam ontleenden aan deze film. Het laat zien hoezeer The Wild One doorzong in het bewustzijn van die eerste generatie teenagers, geboren tijdens of vlak na de Tweede Wereldoorlog. Er loopt een grillige lijn van de nozems in The Wild One naar de hippies in Easy Rider (1969).

Goed. The Wild One.

Het verhaal is in een paar zinnen samen te vatten. Een motorbende rijdt een dorpje binnen. Een van hen raakt gewond en wordt door een arts afgevoerd. De rest besluit in het dorpje te wachten tot hij wordt ontslagen. De bende drinkt bier, en het dorpje beleeft een angstige dag en nacht. Wanneer een aantal dorpelingen het recht in eigen hand neemt en de bende te lijf gaat, komt een oud heertje per ongeluk te overlijden. Johnny, de leider van de bende, wordt opgepakt. Wanneer dorpsbewoners voor hem pleiten, wordt hij vrijgelaten en verlaat de bende het dorpje.

Bij het analyseren van een Hollywood-verhaal kan het helpen om in eerste instantie te na te gaan wie de protagonist is, wat er voor hem of haar op het spel staat, wie of wat de antagonist is, en wie er ‘wint’: de protagonist of de tegenstrever. Dat is in het geval van The Wild One verrassend lastig.

De film begint met deze tekst: ‘This is a shocking story. It could never take place in most American towns — but it did in this one. It is a public challenge not to let it happen again.’ Afgaand op deze woorden zou je verwachten dat de protagonist iemand is die probeert de rel te voorkomen. Maar de sheriff van het dorpje is een zwakkeling die hoopt dat de problemen vanzelf voorbijgaan zolang hij maar hij maar aan zijn bureau blijft zitten met een fles whisky voor zijn neus. En de dorpelingen die de bende te lijf gaan, worden opvallend negatief gekarakteriseerd. Over hun aanvoerder wordt gezegd dat hij op de middelbare school al een bully was. Wie is dan de protagonist, de held?

Johnny natuurlijk! Hèhè. Maar… hij is toch de bad guy?!

Hollywood heeft een lange traditie van helden met een twist. Decennialang was John Wayne een van de populairste Hollywoodacteurs. Zijn persona: de ruwe individualist die het niet te nauw neemt met de wet, geschreven of ongeschreven. Iemand die zich niets laat vertellen, die van nature aanvoelt wat goed is, wat kwaad. Een doener, geen denker. Bovenal een free individual. Iemand die doet wat hij moet doen en daarbij geen belang hecht aan wat anderen van hem denken. (Terzijde. Wayne stond bekend als uiterst conservatief. In 1968, ten tijde van de grote protesten tegen de Vietnamoorlog, regisseerde hij als reactie hierop The Green Berets, een film die de oorlog juist steunde. Het is dan ook opmerkelijk dat hij in de kern nogal wat overeenkomsten heeft met zijn natuurlijke tegenstander, de hippie. (Nog een terzijde: 1968 was ook het jaar waarin countryrock doorbrak, en hippies zich hulden in cowboykleding.) Beiden gaan terug op een lange traditie. Ik denk niet dat het overdreven is om te stellen dat zowel Wayne als de hippie mede mogelijk werden gemaakt door Walden en Emersons “Self-reliance”. Misschien kom ik hier in een latere post op terug.)

Bad guy of niet, Johnny is de held, de protagonist. (Hij is natuurlijk ook geen echte bad guy; Brando’s toughies hebben altijd een klein hartje.)

Wie is de antagonist? Terwijl Johnny’s Black Rebels Motorcycle Club zich bedrinkt in de lokale kroeg, rijdt een tweede motorclub, de Beetles dus, het plein op. Deze club wordt aangevoerd door Chino, een fantastische rol van Lee Marvin. Johnny is goed verzorgd: hij draagt een coole pet, zijn bakkebaarden zijn keurig bijgetrimd, en zijn clubleden dragen allemaal hetzelfde leren jack. Chino ziet er ongeveer uit zoals de Hells Angels in Gimme Shelter: ongeschoren, grauw, grimmig. Zodra hij Johnny ziet, daagt hij hem uit. Aha, denkt de kijker, die na 25 minuten nog altijd niet precies weet waar de film op aanstuurt: de tegenstander van Johnny, de antagonist — het verhaal begint! Maar nee. Johnny en Chino vechten even, maar na een paar minuten wordt Chino gearresteerd en verdwijnt hij uit het verhaal. Wanneer hij weer opduikt, vormen beide motorclubs één rellende bende. Chino is dus niet de antagonist. Maar wie dan wel?

Het dorpje? Veel tegenstand krijgt hij daar niet van. Niet totdat dorpelingen een ad-hocburgerwacht oprichten, tegen het einde van de film.

Hijzelf? Dat kan natuurlijk ook, dat hij niet zozeer in strijd is met anderen of de wereld, maar met zichzelf. Hier valt iets voor te zeggen. Ik had het tot dusver nog niet gemeld, maar er is natuurlijk sprake van een love interest, en in het contact met dit meisje lijkt Johnny af en toe inderdaad met zichzelf in gevecht te zijn. En met haar trouwens. — Is zij de antagonist? In het begin zegt hij in de voiceover: ‘Mostly, I remember the girl.’ Naast hem is ze het belangrijkste personage. En goed, er is sprake van aantrekken en afstoten, maar staat hun interactie centraal? Lijkt me niet. Wanneer Johnny is opgepakt voor moord, pleit Kathie hem vrij, en dat luidt het einde van het verhaal in. Hun afscheid even later is het eigenlijke einde. Maar centraal staat toch de rel in dat dorpje, niet deze mislukte liefdesgeschiedenis.

Is er dan géén antagonist? Er wordt nogal wat gestreden in deze film: tussen de bendes en het dorp, tussen de dorpsbewoners onderling, tussen Johnny en Kathie; maar er is geen duidelijke antagonist. Sterker nog, in een film die draait om strijd, is eigenlijk niet eens sprake van een helder centraal conflict. Want waar gaat die rel nu helemaal om?

Johnny is boos. Maar op wie? Wanneer iemand hem vraagt waar hij in godsnaam tegen rebelleert, antwoordt hij: “Whaddaya got?” Hij lijkt zijn woede vooral te richten op “squares” — het klootjesvolk. Maar wat heeft dat klootjesvolk hem aangedaan? We weten het niet. Hij heeft geen backstory, geen achtergrond. Wanneer hij door dorpelingen in elkaar wordt geslagen, merkt hij op dat z’n old man hem harder sloeg. Meer weten we niet over hem. Een verklaring voor zijn woede wordt niet gegeven. Hij is een rebel without a cause.

Een held zonder concreet conflict. En een held ook die geen ontwikkeling doormaakt. Wanneer de Black Rebels wegscheuren uit het dorpje, is Johnny niet significant veranderd. Hij maakt een oprecht vriendelijk gebaar naar Kathie. Dat is nieuw. Maar van een klassieke peripeteia kun je niet spreken. Bijna ongemerkt breekt The Wild One hier met een dominante Hollywood-conventie die ook vandaag de dag nog geldt: de held maakt een ontwikkeling mee; hij komt gelouterd dan wel gebroken uit de strijd.

Maar in The Wild One is geen sprake van psychologie. Geen enkel personage heeft een binnenwereld. Ook is er geen sprake van een sociologische verklaring van de rebellen zonder reden of doel. Misschien verklaart dit waarom de film zo’n invloed heeft kunnen hebben. Johnny is ongevormd. Niets weerhoudt de kijker ervan om zijn wensdromen op hem te projecteren.

Nog een laatste observatie en dan ben ik klaar. Bij leren jacks en grommende motoren denk je automatisch aan rock-‘n-roll, bijvoorbeeld aan “Born to Be Wild” uit Easy Rider. Maar Elvis Presley maakte zijn eerste opnamen pas een jaar na het verschijnen van The wild one. Johnny en zijn vrienden dansen tamelijk lullig op tamelijk lullige jazz light. De film toont ons een vroeg stadium van een ontwikkeling. De ontwikkeling van die feeks de teenager. Een feeks die nog altijd niet getemd is, getuige de gebeurtenissen in Haren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s