Le Petit Soldat (Jean-Luc Godard, 1960/1963)

Le Petit Soldat had de opvolger moeten zijn van Godards debuut À bout de souffle, maar werd in 1960 om politieke redenen tegengehouden door de Franse regering. Dat is niet onbegrijpelijk; de Britse criticus Colin MacCabe legt in een introductiepraatje op de dvd uit waarom. De film gaat expliciet over de oorlog in Algerije, destijds nog in volle gang, en de Fransen komen er érg slecht af: ze voeren een onrechtmatige, brute oorlog tegen de Algerijnse bevolking. Daarbij vermoorden ze aan het einde van de film Anna Karina!

De film gaat niet alleen over politiek, zoals MacCabe opmerkt, maar ook over de liefde. Meer specifiek de liefde van de camera voor Anna Karina. Het is onder andere de tegenstelling tussen de fragiele Karina en het brute martelgeweld die de film zo indringend maakt. En de manier waarop de camera de kijker medeplichtig maakt aan voyeurisme en marteling.

Het hoofdpersonage, Bruno Forestier, is lid van de extreem-rechtse Organisation de l’Armée Secrète, die zich in het neutrale Genève bezighoudt met het onschadelijk maken van tegenstanders van de Franse regering. Moord en marteling zijn hierbij geijkte methodes. In de voiceover vertelt Bruno koeltjes dat hijzelf nooit heeft gemarteld, maar dat hij wel bij martelingen heeft toegekeken. Tegelijkertijd namedropt hij als een malle: in de eerste vijf minuten citeert hij Louis Aragon, doet de lucht hem denken aan Paul Klee, en vergelijkt hij Anna Karina met een personage van Jean Giraudoux. Later doet hij nonchalant nietszeggende uitspraken over Bach, de ‘diepzinnige Beethoven’, en ‘goede oude Brahms’. (Nu we toch bezig zijn: dit samengaan van hoge cultuur en koelbloedig oorlogsgeweld doet denken aan de scène in Apcalypse Now, waarin Amerikaanse helikopters napalm gooien op een Vietnamees dorpje, onder begeleiding van Wagners Walküre.) De boodschap – die Godard zeven jaar later centraal stelt in Weekend – is duidelijk: cultuur is een dun laagje vernis. Onder het plaveisel het moeras.

Subtiliteit zit hem bij Godard niet in de politieke ideeën maar in de cameravoering, de montage, de mise-en-scène, het geluid. Laat ik me beperken tot een paar korte opmerkingen over de cameravoering.

De director of photography was Raoul Coutard, wiens filmografie bijna schunnig is: hij filmde (onder andere) alles van Godard in de vloedgolf van ’59 – ’67 (met uitzondering van Masculin féminin, soit), Tirez sur le pianiste en Jules et Jim van Truffaut, van Costa-Gavrasen Als twee druppels water van Fons Rademakers.

Net als in À bout de souffle is de camera hier als een zwijgend personage aanwezig bij de gebeurtenissen. Hij draait om de andere personages heen, komt opdringerig naast ze zitten in de trein, kijkt ze onverwachts recht in de ogen, stort zich met hen in het chaotische verkeer. Die camera, dat ben jij. Wanneer hij koelbloedig toekijkt hoe Bruno elektrische schokken krijgt toegediend, kijk jij koelbloedig met hem mee. Je ziet wat de camera ziet en je doet, net als hij, niets. Zo maakt Godard jou (en de Franse kijker anno 1960) medeplichtig.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s